De Tilburgse Spoorzone als “Laboratorium voor de Maatschappij van de Toekomst”

De Tilburgse Spoorzone (zie ook Co-Creatie Kerngebied Spoorzone, De:WerkplaatsSpoorzone site Brabants Dagblad en de Spoorzone Facebook groep) staat in het centrum van de belangstelling. Ruim 2,5 kilometer lang met een oppervlakte van 75 hectare ligt deze voormalige NS werkplaats bijna volledig braak, maar met een geweldige potentie in deze stad van creatievelingen, makers, doeners en denkers.

Spoorzone Tilburg

Het is de bedoeling dat de Spoorzone een “Kennis Plus Profiel” gaat krijgen.  Om dit in te vullen wordt onder meer gedacht aan het realiseren van een bibliotheek van de toekomst, een leer- en kennisomgeving en een “social innovation kenniscampus”. O.a. Fontys Hogescholen, Tilburg University en TiasNimbas worden hierbij betrokken. Fontys heeft onlangs bekend gemaakt over te gaan met haar opleidingen Creative Industries en Journalistiek, op weg naar een “campus 3.0″. Maar ook cultuur ontbreekt niet in deze mix, zo is als voorhoede de Hall of Fame sinds kort in dit gebied gehuisvest en wordt het gerenoveerde Deprez-gebouw al geruime tijd gebruikt als huisvesting voor maatschappelijke organisaties en voor het organiseren van allerlei presentaties, debatten en manifestaties. Koppel hier nog allerlei toekomstige bedrijvigheid van creatieve en  andere ondernemers aan en er is sprake van een uniek gebied dat op allerlei manieren kan gaan bruisen.

Hoewel de potentie enorm is, is de verwarring dat ook. Zoveel betrokkenen, zoveel belangen, zoveel mogelijke invullingen, zoveel tekorten… Hoe zo’n enorm gebied in te richten, zodanig dat het recht doet aan de diversiteit van alle belanghebbenden, maar dat er tegelijkertijd de verbinding tussen zoveel mogelijk bewoners wordt gelegd? Wat is de “eenheid in verscheidenheid”, wat is het “grote verhaal” dat verteld kan worden over dit gebied? Een verhaal wat Tilburg op de kaart zet, niet alleen provinciaal of nationaal, maar internationaal? Een verbindend idee dat ervoor zorgt dat mensen naar Tilburg willen komen om dit gebied met eigen ogen te zien en te beleven, maar ook om mee te doen, of in de taal van vandaag de dag, de Spoorzone te helpen “co-creëren”?

Vorig jaar vond er in Noord-Brabant een bijzonder interessante exercitie plaats, georganiseerd door BrabantBrein, om zoveel mogelijk concrete ideeën te verzamelen om te komen tot een letterlijk betere samenleving. In de hele provincie werden bijeenkomsten georganiseerd, waarin door een groot aantal teams ideeën werden gegenereerd, gepresenteerd, geselecteerd en steeds verder verfijnd. Een van de geselecteerde ideëen betrof het beschouwen van Noord-Brabant als laboratorium van de “Maatschappij van de Toekomst”:

Noord-Brabant als laboratorium van de “Maatschappij van de Toekomst” waarin volop wordt geëxperimenteerd met oplossingen voor complexe, organisatie-overstijgende problemen als vergrijzing, milieuvervuiling, integratie enz. Brabant heeft hiervoor uitstekende “faciliteiten”: een groot aantal verschillende stakeholders met veel verschillende expertise, een zeer gevarieerde economie, een informele cultuur, bereidheid tot samenwerken, enz. Geleerde lessen zouden vervolgens als voorbeeld kunnen dienen voor andere provincies en regio’s in Europa.

Ooit stond het “Huis van de Toekomst” in Rosmalen. Tilburg ligt in het hart van Midden-Brabant. De Spoorzone ligt in het centrum van Tilburg. Wat nu als we de Spoorzone (als “hart van het Hart van Brabant”) maken tot het provinciale “laboratorium voor de Maatschappij van de Toekomst”? Het betreft hier een speciaal soort laboratorium: een “living lab”. Een living lab is een ecosysteem van de private en de publieke sector, waarin het leggen van verbindingen en het aanjagen van innovatie centraal staat. Zo’n living lab gedachte sluit ook uitstekend aan op “social innovation” als het centrale thema van de regio Midden-Brabant, zoals deze reeds uitvoerig gestalte krijgt in het samenwerkingsverband Midpoint Brabant.

Vanuit deze gedachte bezien wordt de Spoorzone een enorm spannend ecosysteem van innovaties waar bedrijfsleven, overheid, onderwijs, culturele instellingen, creatieve ondernemers en burgers samen laten zien hoe onze maatschappij er over zoveel jaar uit zou kunnen en moeten zien. Technische en sociale innovaties, nieuwe kunst-, cultuur-, onderwijs- en onderzoeksconcepten, maatschappelijke scenario’s, een uitdijend web van steeds veranderende  en met elkaar verbonden ideëen waarmee de maatschappij van de toekomst wordt vormgegeven. Allerlei kruisbestuivingen van goede ideëen die plaatsvinden in gebouwen en installaties maar vooral ook door middel van nieuwe media, presentaties en debatten, workshops en conferenties, onderzoeksprojecten,  samenwerkingsverbanden tussen de meest onwaarschijnlijke partners, netwerken van overlappende communities…

Enkele voorbeelden van hoe die kruisbestuivingen eruit zouden kunnen zien:

  • Grote zorginstellingen als De Wever laten (samen met grote verzekeraars als Interpolis of CZ) in een tentoonstellingszaal zien hoe mantelzorgers en professionals om zouden kunnen gaan met mensen met dementie in de Dementie Experience. Ernaast wordt een congres voor verzekeraars en zorgverleners uit heel Europa gehouden in de Koepelhal over hoe deze innovatieve aanpakken een bijdrage zouden kunnen leveren aan het verbeteren van de levenskwaliteit en het terugdringen van de zorgkosten.
  • Studenten Journalistiek van Fontys werken samen met uitgeverijen als Zwijsen o.a. op basis van toekomstscenario’s van het Tilburg Social Innovation Lab aan het vertellen van het “Maatschappij van de Toekomst” verhaal in een digital storytelling project. In dit project worden allerlei crossmediale vormen uitgewerkt, o.a. bestaande uit een groot aantal installaties verspreid over het hele Spoorzone terrein, maar ook met digitale koppelingen naar gerelateerde projecten en discussiefora over de hele wereld. De “buzz” die daardoor ontstaat trekt weer allerlei bezoekers van heinde en verre naar het gebied.
  • Het Science Centre werkt samen met de Bibliotheek van de Toekomst en het Wetenschapsknooppunt Tilburg aan het ontwikkelen van digitale en fysieke leerlijnen om kinderen van de basisschoolleeftijd al te enthousiasmeren voor de wetenschap. Via een online “kinderkennisbank” bereiden kinderen uit de hele regio en zelfs de rest van het land zich voor op een lesthema om dan met het openbaar vervoer af te reizen naar de Spoorzone. Hier zien ze een hele dag wetenschap & techniek in actie in een “Exploratorium“-achtige setting in verschillende gebouwen in de Spoorzone.
  • Een consortium van bedrijven, kennisinstellingen en overheden, omgeven door een web van culturele instellingen en creatieve ZZP-ers gaan met elkaar een langdurig samenwerkingsverband aan om te komen tot een nationaal Master Plan om de vergrijzing in 2040 het hoofd te bieden. Het Master plan bestaat uit creatieve interpretaties van wat de effecten van vergrijzing op het dagelijks leven zullen zijn, maar ook ideëen voor heel praktische zorgproducten, voorstellen voor nieuwe zorgprocessen en innovatieve financieringsmodellen. Elk van deze partijen heeft een “ambassade” in de Spoorzone, variërend van een heel gebouw voor de grote organisaties tot een kamer in een verzamelgebouw voor een “community van senioren” die als ervaringsdeskundigen mee willen denken over wat er nodig is. Een vleugel van een van de (functioneel gerenoveerde) karakteristieke NS-gebouwen wordt door Seats2Meet ingericht als permanente “kruisbestuivingsruimte” waarin prototypes worden getoond, vergaderingen en presentaties worden gehouden en de vertegenwoordigers van alle betrokken partijen elkaar voortdurend op allerlei verrassende, inspirerende en informele wijze tegenkomen.

In ons recent verschenen artikel  “De openbare bibliotheek als stadslab” schetsen Emmeken van der Heijden en ikzelf een scenario voor hoe de bibliotheek van de toekomst eruit zou kunnen zien door het leggen van allerlei slimme verbindingen tussen de fysieke en online wereld. Cruciaal hierbij is dat in eerste instantie gekeken moet worden naar gewenste functies, verbindingen en interacties tussen allerlei (on)mogelijke partijen, samen met die partijen, voordat er geïnvesteerd wordt in fysieke infrastructuur. Voor de Spoorzone als geheel geldt dat zo mogelijk nog meer. Keuzes die nu gemaakt worden bepalen het innovatieve DNA van het gebied voor vele toekomstige generaties. Wordt de Spoorzone een gebied als zoveel andere kwakkelende stedelijke zones, met veel schitterende (en dure) gebouwen, maar veel te weinig leven en “vibe”? Of durven we echt hier met zijn allen samen iets neer te zetten wat Tilburg op de kaart zet bij de provincie, het land en Europa?

Natuurlijk moeten de enorme investeringen gedaan in de aankoop van de Spoorzone worden terugverdiend, zeker gezien de zware financiële tijden die de stad nu doormaakt. Het een hoeft het ander echter niet uit te sluiten. Een simpele voetgangerstunnel onder het station moet als “deur naar het gebied” zo spoedig mogelijk en tegen geringe kosten kunnen worden aangelegd. Veel bestaande gebouwen kunnen op sobere wijze worden gerenoveerd, zodat deze voldoen aan minimale functionele en veiligheidseisen.  Als ze zich nieuwbouw (nog) niet kunnen veroorloven, kunnen speciale contractvormen mogelijke bewoners (van ZZP-ers tot grote organisaties) aantrekken om in die gebouwen een tijdelijke “innovatie-ambassade” te openen. Op deze manier begint ongebruikt terrein al op korte termijn inkomsten te genereren voor de gemeente en kunnen de pioniers per direct beginnen het living lab ecosysteem te ontwikkelen. Tevens wordt zo tijd gewonnen om tot goed afgewogen plannen te komen in een transparent proces van consultatie, samen met huidige en toekomstige belanghebbenden en bewoners van het gebied, met projectontwikkelaars en gemeente, met mee- en tegendenkers, offline en online.

Tilburg heeft zichzelf al vele malen opnieuw uitgevonden. We hebben nu nog de  kans om iets groots te realiseren. Laten we die kans grijpen.

PS: Oorspronkelijk heette deze blog “De Tilburgse Spoorzone als “Living Lab voor de Maatschappij van de Toekomst”. “Living lab” is echter jargon dat gebruikt kan (en moet) worden in beleidsstukken, omdat het een specifiek soort (sociaal-maatschappelijk i.p.v. een technisch) laboratorium betreft. Om het idee duidelijk te maken aan de gemiddelde leek, is het naar mijn mening beter om gewoon de term “laboratorium” te gebruiken. Zo kan het verhaal beter verteld worden en blijven hangen.

Libraries and Collaborative Research Communities

091001_TicerAlready a while ago, but still worth a post: on August 5, I was an invited speaker at  the Ticer Digital Libraries a la Carte 2009 summer school. In 2008, I attended their fascinating keynote summer school lecture by Stephen Abram. It was a privilege to be on the other side this year! Ticer stands for Tilburg Innovation Centre for Electronic Resources, and is a business unit of Tilburg University’s Library and IT Services. Every year, they organize a summer school, which is well attended by librarians, publishers, researchers, lecturers, and IT specialists interested in the latest developments in (digital) libraries.

My module concerned the Libraries and Collaborative Research Communities track. My co-speakers were John Butler (University of Minnesota), Judith Wusteman (University College Dublin), and Gary Olson (University of California, Irvine). We had a very stimulating day – with lots of questions from the audience –  in which we explored this lively and quickly evolving field from many different angles, including topics like virtual communities as catalysts for advancing scholarship, the role of librarians in virtual research environments, and critical success factors for science collaboratories.

My own talk was about how to activate research collaboratories with collaboration patterns. I really enjoyed discussing  this for me quite new field. It was good to see that many academic librarians agree  that a technical information retrieval focus by itself does not suffice anymore and that serious efforts need to made to integrate communities, communication, and collaboration in their library processes and systems. The worlds of digital libraries and community informatics are still far apart, but interesting connections are forming. A topic that surely will grow in scope and impact in the years to come.


Building Capacity for Learning: towards a Library 2.0

On August 27, I attended the Library & IT Services Innovation Lecture at Tilburg University.  The speaker was Stephen Abram, SirsiDynix’s Vice President of Innovation. His talk was titled “Building Capacity for Learning: Affordable Technology Preparedness“.  Stephen held a passionate plea for reform of university library practice, urging librarians to fully embrace rather than feel threatened by the Web 2.0-and-beyond world that students live in. Stephen raised many interesting points, a few of which I will mention here, as they are so relevant to collaborative and learning community capacity building in general.

The rate of library change is going to be orders of magnitude higher than before, we ain’t seen nothing yet. There is going to be a change of paradigm. To mention only a few of many fundamental changes that will need to be absorbed : e-books, the dawn of a “paragraph-level instead of an article based universe”, the role of libraries in distance education, and so on.

Context of use is all important. For example, there are hundreds of citation styles, but who (besides librarians!) uses which particular styles in which workflows? A fundamental issue is how to move content into context?  Facts out of context are useless. Rather than overloading students with facts, universities should be teaching them the processes that let them get the facts when they need them.  For instance, they should deeply understand the politicized knowledge processes like web search engine retrieval results manipulation. More in general, what are the information literacy pieces needed to contribute to the students’ success? Rather than working with isolated steps, we should work with an information ecology.  Professors, TAs, students and so on should all be trained at the community level.

Using Web 2.0 thinking will be essential to accomplish these goals. Basically, the meaning of Web 2.0 is “the things you can do times the people you know”. For librarians, this means that they are not anonymous, interchangeable staff, but accessible individuals with unique skills who interact intensively with their student community.  Social software like Facebook could play an important role supporting this process, e.g. through the wise use of pictures and descriptions.

In sum, the main question is: how do we prepare library staff to do things and know people? In the “Library 2.0″, the user is at the centre, not the librarian. Web 2.0 tools are affordable and easy to experiment with. We should not be afraid to try and make errors, such an experimental approach is the best way to learn how to empower students by building on their skills. The Special Libraries Association Innovation Library has a wealth of resources to discover and discuss emerging Web 2.0 software learning tools and see how they can be used in the library context of the future.