“Designing Social Cities of Tomorrow” workshop – presentation notes

On February 17, the international  “Social Cities of Tomorrow” conference was held in Amsterdam. Prior to this conference, a three-day “Designing Social Cities of Tomorrow” workshop was held in which international participants from various professional backgrounds collaborated with local stakeholder organisations on 4 real-world urban cases: Urban Pioneers Zeeburgereiland (Amsterdam), Haagse Havens (The Hague), Strijp-S (Eindhoven), and Amsterdam Civic Innovator Network. On February 16, the results of this workshop were presented in a sold-out hall. Fortunately, I managed to get one of the last tickets. I was particularly interested in this workshop, as I thought it might generate some concrete ideas to help us co-create the new Tilburg Spoorzone. I was not disappointed, and really very pleased with the overall quality, originality, and feasibility of the ideas.

For the first three cases, quite detailed “how to do it” plans were unfolded, the presentation of the fourth case focused on the theoretical underpinnings of a civic innovator network. A good summary by Laurent Hubeek of the presentations  of case 1 & 2 can be found here, that of case 3 & 4 here. I took detailed notes during the case presentations. They’re rather rough, but I include them here to capture the atmosphere and as an additional recording of the insights presented. Hopefully they help to inspire further thinking.


Introduction

Hi-tech is increasingly influencing life in today’s cities.  “Smart Cities” are hot.  The main problem with these visions: where are the people?! Can we use the same hi-tech to make the cities more social instead of (just) smart? The key question therefore is:  How can we use digital technologies to make our cities more social, rather than just more hi-tech?
Social cities: it’s not about a blueprint, but a design approach. It’s a way of thinking about cities that are highly technological, but which is not about the technology itself,  but about the people. Now,  how do you design for social cities? How do you engage and empower publics (groups of people) to act on communally shared issues?
The digital element leads to a qualitative shift:
  • There’s a new resource: the data the city is generating
  • Name issues in new ways, discover patterns, bring up/visualize new issues in ways you couldn’t do before
  • Engage people, give them a new sense of place (e.g. storytelling, urban gaming)
  • Ways how we organize ourselves: peer-to-peer organization around issues

Taking this into account, the questions posed to the teams were:

  • How can we get citizens to feel they belong and feel that the city belongs to them as well?
  • How do we design for ‘ownership’?
Case 1: TEMPLoT (= temporary plot)
 
Municipalities are plagued by having many unused vacant parcels.  Zeeburgereiland Amsterdam is a typical case. However, most of Europe is dealing with same issues. Key idea: “temporary” could become the stimulus.
Nothing is happening on Zeeburgereiland, it is literally a no go zone. The city idea was to make it available as a 10 year-lease for 1 euro. Why not make it much more temporary:  what  if the urban pioneer was only given the land for 365 days instead of 10 years? The temp architecture initiative wants experts to meet some place to advise new urban pioneers to do something “tomorrow”. These expert roles are: owner, developer, designer, manager. However, what if the urban pioneers are the experts? Individuals could start playing those roles themselves. To do so, maybe these urban pioneers don’t need a place but a platform? This system consisting of a website plus apps could be TEMPLoT.
Zeeburgereiland = 3,6 ha plot minus 15% infrastructure. Possible uses: Recreation? Entertainment, Amusement, Do Nothing? As the area is sandwiched between superdense neighbourhoods: what if its main use were a garden? It could provide a temp infrastructure consisting of private parcels, plus an area for a larger community “Contribution Zone”. Flex spaces  would be adjacent to private spaces, which can help in the building of mini communities. Manage the collective usage online via TEMPLoT.
Follow the seasonal life cycle: in December, start planning the temp infrastructure, in January, do the bidding process, after that the building and planting etc., use summer for enjoying festivals, then in October/November, do the clean up process. Coordination can happen online. The flex space is the negotiation space (through bidding) between the neighbours. Contribution zone: everybody has to contribute something there (time, energy, skills & knowledge, teaching, network, etc.). These contributions are visible in your online profile, so your neighbors know your involvement. Potential individual uses: relaxation, family plot, artist studio, etc.
 
Stakeholder organization response:
 
It for sure is possible. It could become a way of “citymaking”. Should not only be gardens, however, the area could also be used in another way. A potential problem is that  people like it so much that they don’t want to leave? Also, the app used in the plotting process should be simple. What if it would also allow pioneers to change plot? Would be great if it could also help to increase the skills of participants.
Impressed by the “back to basics” approach. This is refreshing, as city design has become so (unnecessarily) complex these days. Nice it’s so hands-on.
Commitment:  the tender for Zeeburgereiland is already out, we could add this digital approach. Every city in Europe has such a map of vacant plots. Many other cities could also apply this approach: investigate how other cities can be involved?
 
Audience response: 
 
There’s a similar project in Ghent, Belgium. It’s about gardens, people could buy it with invented city currency, so that everybody could afford a plot, also those without money. You put in your effort and got the virtual currency. However, what was the duration of the lease? The temp focus is very important.
 

Continue reading

De Tilburgse Spoorzone als “Laboratorium voor de Maatschappij van de Toekomst”

De Tilburgse Spoorzone (zie ook Co-Creatie Kerngebied Spoorzone, De:WerkplaatsSpoorzone site Brabants Dagblad en de Spoorzone Facebook groep) staat in het centrum van de belangstelling. Ruim 2,5 kilometer lang met een oppervlakte van 75 hectare ligt deze voormalige NS werkplaats bijna volledig braak, maar met een geweldige potentie in deze stad van creatievelingen, makers, doeners en denkers.

Spoorzone Tilburg

Het is de bedoeling dat de Spoorzone een “Kennis Plus Profiel” gaat krijgen.  Om dit in te vullen wordt onder meer gedacht aan het realiseren van een bibliotheek van de toekomst, een leer- en kennisomgeving en een “social innovation kenniscampus”. O.a. Fontys Hogescholen, Tilburg University en TiasNimbas worden hierbij betrokken. Fontys heeft onlangs bekend gemaakt over te gaan met haar opleidingen Creative Industries en Journalistiek, op weg naar een “campus 3.0″. Maar ook cultuur ontbreekt niet in deze mix, zo is als voorhoede de Hall of Fame sinds kort in dit gebied gehuisvest en wordt het gerenoveerde Deprez-gebouw al geruime tijd gebruikt als huisvesting voor maatschappelijke organisaties en voor het organiseren van allerlei presentaties, debatten en manifestaties. Koppel hier nog allerlei toekomstige bedrijvigheid van creatieve en  andere ondernemers aan en er is sprake van een uniek gebied dat op allerlei manieren kan gaan bruisen.

Hoewel de potentie enorm is, is de verwarring dat ook. Zoveel betrokkenen, zoveel belangen, zoveel mogelijke invullingen, zoveel tekorten… Hoe zo’n enorm gebied in te richten, zodanig dat het recht doet aan de diversiteit van alle belanghebbenden, maar dat er tegelijkertijd de verbinding tussen zoveel mogelijk bewoners wordt gelegd? Wat is de “eenheid in verscheidenheid”, wat is het “grote verhaal” dat verteld kan worden over dit gebied? Een verhaal wat Tilburg op de kaart zet, niet alleen provinciaal of nationaal, maar internationaal? Een verbindend idee dat ervoor zorgt dat mensen naar Tilburg willen komen om dit gebied met eigen ogen te zien en te beleven, maar ook om mee te doen, of in de taal van vandaag de dag, de Spoorzone te helpen “co-creëren”?

Vorig jaar vond er in Noord-Brabant een bijzonder interessante exercitie plaats, georganiseerd door BrabantBrein, om zoveel mogelijk concrete ideeën te verzamelen om te komen tot een letterlijk betere samenleving. In de hele provincie werden bijeenkomsten georganiseerd, waarin door een groot aantal teams ideeën werden gegenereerd, gepresenteerd, geselecteerd en steeds verder verfijnd. Een van de geselecteerde ideëen betrof het beschouwen van Noord-Brabant als laboratorium van de “Maatschappij van de Toekomst”:

Noord-Brabant als laboratorium van de “Maatschappij van de Toekomst” waarin volop wordt geëxperimenteerd met oplossingen voor complexe, organisatie-overstijgende problemen als vergrijzing, milieuvervuiling, integratie enz. Brabant heeft hiervoor uitstekende “faciliteiten”: een groot aantal verschillende stakeholders met veel verschillende expertise, een zeer gevarieerde economie, een informele cultuur, bereidheid tot samenwerken, enz. Geleerde lessen zouden vervolgens als voorbeeld kunnen dienen voor andere provincies en regio’s in Europa.

Ooit stond het “Huis van de Toekomst” in Rosmalen. Tilburg ligt in het hart van Midden-Brabant. De Spoorzone ligt in het centrum van Tilburg. Wat nu als we de Spoorzone (als “hart van het Hart van Brabant”) maken tot het provinciale “laboratorium voor de Maatschappij van de Toekomst”? Het betreft hier een speciaal soort laboratorium: een “living lab”. Een living lab is een ecosysteem van de private en de publieke sector, waarin het leggen van verbindingen en het aanjagen van innovatie centraal staat. Zo’n living lab gedachte sluit ook uitstekend aan op “social innovation” als het centrale thema van de regio Midden-Brabant, zoals deze reeds uitvoerig gestalte krijgt in het samenwerkingsverband Midpoint Brabant.

Vanuit deze gedachte bezien wordt de Spoorzone een enorm spannend ecosysteem van innovaties waar bedrijfsleven, overheid, onderwijs, culturele instellingen, creatieve ondernemers en burgers samen laten zien hoe onze maatschappij er over zoveel jaar uit zou kunnen en moeten zien. Technische en sociale innovaties, nieuwe kunst-, cultuur-, onderwijs- en onderzoeksconcepten, maatschappelijke scenario’s, een uitdijend web van steeds veranderende  en met elkaar verbonden ideëen waarmee de maatschappij van de toekomst wordt vormgegeven. Allerlei kruisbestuivingen van goede ideëen die plaatsvinden in gebouwen en installaties maar vooral ook door middel van nieuwe media, presentaties en debatten, workshops en conferenties, onderzoeksprojecten,  samenwerkingsverbanden tussen de meest onwaarschijnlijke partners, netwerken van overlappende communities…

Enkele voorbeelden van hoe die kruisbestuivingen eruit zouden kunnen zien:

  • Grote zorginstellingen als De Wever laten (samen met grote verzekeraars als Interpolis of CZ) in een tentoonstellingszaal zien hoe mantelzorgers en professionals om zouden kunnen gaan met mensen met dementie in de Dementie Experience. Ernaast wordt een congres voor verzekeraars en zorgverleners uit heel Europa gehouden in de Koepelhal over hoe deze innovatieve aanpakken een bijdrage zouden kunnen leveren aan het verbeteren van de levenskwaliteit en het terugdringen van de zorgkosten.
  • Studenten Journalistiek van Fontys werken samen met uitgeverijen als Zwijsen o.a. op basis van toekomstscenario’s van het Tilburg Social Innovation Lab aan het vertellen van het “Maatschappij van de Toekomst” verhaal in een digital storytelling project. In dit project worden allerlei crossmediale vormen uitgewerkt, o.a. bestaande uit een groot aantal installaties verspreid over het hele Spoorzone terrein, maar ook met digitale koppelingen naar gerelateerde projecten en discussiefora over de hele wereld. De “buzz” die daardoor ontstaat trekt weer allerlei bezoekers van heinde en verre naar het gebied.
  • Het Science Centre werkt samen met de Bibliotheek van de Toekomst en het Wetenschapsknooppunt Tilburg aan het ontwikkelen van digitale en fysieke leerlijnen om kinderen van de basisschoolleeftijd al te enthousiasmeren voor de wetenschap. Via een online “kinderkennisbank” bereiden kinderen uit de hele regio en zelfs de rest van het land zich voor op een lesthema om dan met het openbaar vervoer af te reizen naar de Spoorzone. Hier zien ze een hele dag wetenschap & techniek in actie in een “Exploratorium“-achtige setting in verschillende gebouwen in de Spoorzone.
  • Een consortium van bedrijven, kennisinstellingen en overheden, omgeven door een web van culturele instellingen en creatieve ZZP-ers gaan met elkaar een langdurig samenwerkingsverband aan om te komen tot een nationaal Master Plan om de vergrijzing in 2040 het hoofd te bieden. Het Master plan bestaat uit creatieve interpretaties van wat de effecten van vergrijzing op het dagelijks leven zullen zijn, maar ook ideëen voor heel praktische zorgproducten, voorstellen voor nieuwe zorgprocessen en innovatieve financieringsmodellen. Elk van deze partijen heeft een “ambassade” in de Spoorzone, variërend van een heel gebouw voor de grote organisaties tot een kamer in een verzamelgebouw voor een “community van senioren” die als ervaringsdeskundigen mee willen denken over wat er nodig is. Een vleugel van een van de (functioneel gerenoveerde) karakteristieke NS-gebouwen wordt door Seats2Meet ingericht als permanente “kruisbestuivingsruimte” waarin prototypes worden getoond, vergaderingen en presentaties worden gehouden en de vertegenwoordigers van alle betrokken partijen elkaar voortdurend op allerlei verrassende, inspirerende en informele wijze tegenkomen.

In ons recent verschenen artikel  “De openbare bibliotheek als stadslab” schetsen Emmeken van der Heijden en ikzelf een scenario voor hoe de bibliotheek van de toekomst eruit zou kunnen zien door het leggen van allerlei slimme verbindingen tussen de fysieke en online wereld. Cruciaal hierbij is dat in eerste instantie gekeken moet worden naar gewenste functies, verbindingen en interacties tussen allerlei (on)mogelijke partijen, samen met die partijen, voordat er geïnvesteerd wordt in fysieke infrastructuur. Voor de Spoorzone als geheel geldt dat zo mogelijk nog meer. Keuzes die nu gemaakt worden bepalen het innovatieve DNA van het gebied voor vele toekomstige generaties. Wordt de Spoorzone een gebied als zoveel andere kwakkelende stedelijke zones, met veel schitterende (en dure) gebouwen, maar veel te weinig leven en “vibe”? Of durven we echt hier met zijn allen samen iets neer te zetten wat Tilburg op de kaart zet bij de provincie, het land en Europa?

Natuurlijk moeten de enorme investeringen gedaan in de aankoop van de Spoorzone worden terugverdiend, zeker gezien de zware financiële tijden die de stad nu doormaakt. Het een hoeft het ander echter niet uit te sluiten. Een simpele voetgangerstunnel onder het station moet als “deur naar het gebied” zo spoedig mogelijk en tegen geringe kosten kunnen worden aangelegd. Veel bestaande gebouwen kunnen op sobere wijze worden gerenoveerd, zodat deze voldoen aan minimale functionele en veiligheidseisen.  Als ze zich nieuwbouw (nog) niet kunnen veroorloven, kunnen speciale contractvormen mogelijke bewoners (van ZZP-ers tot grote organisaties) aantrekken om in die gebouwen een tijdelijke “innovatie-ambassade” te openen. Op deze manier begint ongebruikt terrein al op korte termijn inkomsten te genereren voor de gemeente en kunnen de pioniers per direct beginnen het living lab ecosysteem te ontwikkelen. Tevens wordt zo tijd gewonnen om tot goed afgewogen plannen te komen in een transparent proces van consultatie, samen met huidige en toekomstige belanghebbenden en bewoners van het gebied, met projectontwikkelaars en gemeente, met mee- en tegendenkers, offline en online.

Tilburg heeft zichzelf al vele malen opnieuw uitgevonden. We hebben nu nog de  kans om iets groots te realiseren. Laten we die kans grijpen.

PS: Oorspronkelijk heette deze blog “De Tilburgse Spoorzone als “Living Lab voor de Maatschappij van de Toekomst”. “Living lab” is echter jargon dat gebruikt kan (en moet) worden in beleidsstukken, omdat het een specifiek soort (sociaal-maatschappelijk i.p.v. een technisch) laboratorium betreft. Om het idee duidelijk te maken aan de gemiddelde leek, is het naar mijn mening beter om gewoon de term “laboratorium” te gebruiken. Zo kan het verhaal beter verteld worden en blijven hangen.